
I'm still fighting to walk to the light

Group: Schoolhoofd
Posts: 2,534
Member No.: 1
Joined: 21-January 06

|
Ze zag er verschrikkelijk uit. Haar eens prachtige, bruine lokken zaten vol klitten, waren deels uit haar hoofd getrokken en waren ongeregelmatig lang. De laatste keer dat ze gewassen waren, leek wel een jaar geleden of zelfs nog meer. Ze waren dof en hingen om haar hoofd heen, eigenlijk meer lastig dan handig. Ze hadden ze echter nog niet afgeschoren. Ze was lijkbleek, alsof ze al eeuwenlang het daglicht niet meer had gezien. Alles was ingevallen en haar botten waren overduidelijk zichtbaar, net als de vele littekens die haar huid “sierden” en zelfs nog enkele verse wonden. Ze stond wankel op haar benen, die te dun waren om haar lichaam eigenlijk te kunnen dragen. Haar eens helderblauwe ogen stonden dof, alsof ze gek was geworden. En dat was ze ook.
De kleding die ze droeg was eigenlijk niets meer dan een vod, het was te groot, eigenlijk een mannengewaad, maar ze hadden niets beters. Of wilden haar ook niets beters geven. De mantel die ze om zich heen had geslagen was vies en de zoom was versleten. Er zaten een paar gaten in en veel had ze er eigenlijk niet aan. De ijskoude wind joeg door haar botten heen, maar veel voelde ze niet. Kou kende ze, kou was ze niet bang voor. Het regende gelukkig niet, hoewel er dan misschien wat bloed en vuil van haar wangen werd gewassen. Ze was niet gewassen, al heel lang niet. Het maakte haar eigenlijk niet meer veel uit, zich schoon voelen zou ze waarschijnlijk nooit meer. Nooit meer het prettige gevoel van eeuwen in bad liggen, of een heerlijke douche. Nooit meer schoon. Zelfs al zou ze dit overleven, zou ze nooit meer schoon zijn.
Hoewel ze niet kon praten of reageren, kon ze wel zien. De tranen wilden haar ogen eigenlijk vullen toen ze de ravage zag, de puinhoop dat ooit eens een prachtig, groot kasteel was geweest. Ze hadden het niet opgebouwd. Het kasteel was echt weg, alle leerlingen en leraren waren verdwenen en Marrindra wist niet eens waar ze waren. Een grote wanhoop klom zich een weg omhoog in het innerlijke van haar lichaam, alles dat nog wel van haar was. Ze had een scherf van haar oude ziel bewaard, diep verstopt waar de pijn van het eeuwige martelen het niet kon bereiken, het scherfje dat ze bewaard had voor het geval dat ze gered zou worden. Ze had haar hoop gevestigd dat ze haar vrij zouden laten als zodra ze leerden dat ze het niet wist, maar dat hadden ze niet gedaan. Daarna had ze gehoopt dat ze zou kunnen ontsnappen tijdens de verhuizingen, wat ook niet was gebeurt. Daarna had ze gehoopt dat ze gered zou worden, maar niets of niemand had haar gevonden. Uiteindelijk had ze al haar hoop nog gevestigd op Zweinstein, op de leerlingen en de leraren.
Het was weg.
Ze wist niet of ze een nieuwe school hadden geopend, maar ze waren hier niet meer. Zelfs al zou ze ontsnappen, dan zou ze nooit weten waar ze zouden zijn en dat zou betekenen dat ze nooit veilig was. Ze wist ook niet wie het hadden overleefd. Zou Dylan het overleeft hebben? En Aiyana? Waren ze überhaupt naar haar op zoek? Was er iemand die aan haar dacht?
“Loop door!”
Ruw werd ze naar voren geduwd, door één van haar martelaars die nog meer om zijn eigen uitwerpselen gaf, dan om haar. Hij was de ergste, hij kon urenlang achter elkaar doorgaan, waarbij hij haar niet eens meer om informatie vroeg, maar gewoon doormartelde. Buiten haar om waren er vier meegegaan, de martelaar, een vrouw die haar de mantel had gegeven, een andere man die steeds zijn staf op haar gericht had en een vrouw met zwart haar. De laatste had Marrindra ook een keer gemarteld. Niet alleen kende ze vreselijke spreuken, maar ook was zij degene geweest die het idee had gekregen om Marrindra’s nagels eruit te trekken. Eens was Marrindra blij geweest met haar nagels, nu zat er niets meer.
Wankelend volgde ze het bevel op, terwijl ze probeerde haar spieren zover te krijgen dat ze de mantel om haar heen sloegen, zodat ze erin weg kon kruipen. Misschien, als ze helemaal verdween in de plooien van de mantel, misschien was ze dan echt weg. Voor eeuwig, veilig voor alles wat haar werd aangedaan. Maar het waren maar bitterzoete kindersprookjes, wensen die nooit meer uit zouden komen. Haar pijn was echt en Zweinstein was verdwenen. Haar laatste hoop was aan stukken geslagen, haar laatste houvast aan de onzekere wereld. Haar tenen stootten tegen iets aan, vanzelfsprekend liep ze op blote voeten. Wankelend bukte ze voorover, om hetgene wat haar voet had aangeraakt, op te rapen. Het was een stuk felgroen kristal, uit de zandlopers die de punten bijhielden. Het was van Zwadderich, haar oude afdeling.
“Ze heeft iets!” De stem van de vrouw met de zwarte haren, schalde over het lege terrein heen. Marrindra hield het stuk waardeloos kristal stevig vast, terwijl ze een stap naar achteren deed, weg van de graaiende handen. Ze wist dat het nutteloos zou zijn, maar toch zou ze de enige houvast van Zweinstein die ze nog had, willen houden. Ze had niet de kracht om ervoor te vechten, maar toch zou ze het proberen. Ze had geen staf en ze was vreselijk in het gebruik van magie zonder staf, maar toch zou ze het proberen. Misschien was dit haar kans om te kunnen vluchten, maar de waarheid was... dat ze toch nergens heen kon gaan.
“Ik geef je dit stuk brood als je me geeft wat je hebt.” De vrouw met de zwarte haren probeerde een vriendelijke glimlach op haar gezicht te toveren, maar het leek meer op een sadistische grijns. Marrindra keek twijfelachtig naar het stuk brood, het zou wel eens het enige eten kunnen zijn dat ze in dagen zou kunnen eten. Haar maag stemde luidkeels voor het stuk brood, haar hart stemde echter voor het kleine groene stuk kristal in haar hand. Uiteindelijk besloot ze.
Een klap midden in haar gezicht was het enige antwoord dat ze kreeg. Omdat ze al wankel was, viel ze achterover in een modderplas. Het groene kristal glipte uit haar handen en werd opgevangen door de vrouw met de zwarte haren. Ze had de verkeerde keuze gemaakt. Direct gleden de tranen over haar gezicht heen, zodat er wat vuil en bloed van haar af werd gewassen.
“Het was maar een waardeloos stuk kristal uit één van die zandlopers.” Het stuk kristal werd op de grond gegooid. Direct kroop Marrindra er naar toe, terwijl ze haar dunne arm uitstak om het ding op te kunnen pakken. Haar hand werd feilloos weggeschopt.
“Laat het haar toch hebben.” Het was de vrouw die haar de mantel had gegeven, die nu sprak. Van de vier die met haar mee waren gegaan, leek zij het alleraardigst.
“Als we haar geven wat ze wil, zal ze ons nooit informatie geven!”
“We hebben haar verdomme meer dan een jaar lang gemarteld, denk je echt dat ze nog überhaupt weet wat links en rechts is? Als ze al wist wat het was, dan is ze dat allang vergeten.”
“Ze heeft een punt. We moeten die Iseult hebben, of die nieuwe.”
Iseult... Aiyana! Aiyana leefde nog! En een nieuwe, er was dus een nieuw schoolhoofd! Er was dus ergens een nieuwe school opgestart, een tweede Zweinstein! Maar... waar? Hier niet, hier was het ravage.
“SCHOUWERS!”
Gegil, geduw, getrek en veel chaos. De vrouw met de zwarte haren gooide Marrindra op de grond, zodat ze zo ver mogelijk weg kon komen. De martelaar probeerde haar overeind te trekken, maar toen een spreuk hem bijna raakte, liet hij Marrindra achter en rende er vandoor om daarna te verdwijnselen. Er bleven nog twee mensen achter, de vrouw van de mantel die Marrindra nu overeind trok en de andere man die ondertussen spreuken afvuurde op de schouwers.
“We moeten gaan!”
“Niet zonder haar! Ik heb een idee!”
Ruw werd Marrindra overeind getrokken. Ze werd stevig vastgehouden door de vrouw, die met de punt van haar toverstok in haar keel duwde.
“LAAT ONS GAAN OF IK VERMOORD HAAR!”
De schouwers twijfelden zichtbaar. Ze hielden op met spreuken afschieten, maar bleven klaar staan om elk moment in te kunnen grijpen.
“TOVERSTOKKEN NEER!”
“NEE!” Marrindra gilde, met het weinige stemgeluid dat ze nog had. Het kwam er raspend uit, ze had nauwelijks wat gedronken en al dagen haar stem niet meer gebruikt. Ze gilde niet eens meer.
De schouwers luisterden echter niet naar haar en twijfelden nog steeds. Hun toverstokken neerleggen, zou betekenen dat de aanvallers een kans hadden om ze te doden. Ze moesten Marrindra redden, maar ze zagen geen opties.
“Houd je mond,” siste de vrouw achter haar. “Je zult het misschien niet geloven, maar ik ken meer martelmethodes dan zij.”
Marrindra zweeg. Ze was al genoeg gemarteld, ze gaf niets meer om pijn. Ze zwoer diep van binnen dat ze zou ontsnappen, wegkomen. Ze zou niet langer gemarteld worden, maar ze zou Zweinstein weer opzoeken. Dat, of op dit moment sterven.
“VERMOORD ME!”
Voordat de schouwers konden reageren, was Marrindra al weg.
--------------------
|